Le Paradou, door Rik Wouters geschilderd in 1905–1906, geldt als het eerste schilderij van een Belgische kunstenaar dat tot het fauvisme behoort. Dit kleine doek, geschilderd in zuivere kleuren, is vrijwel gelijktijdig met het ontstaan van het Franse fauvisme in de zomer van 1905, toen Matisse en Derain samen in Collioure werkten.
Hoewel de invloed van Ensor al heel vroeg merkbaar was in het werk van Wouters — hij bewonderde vooral Ensors talent als colorist — was het een andere, minder bekende schilder die hem een nog beslissender openbaring bracht. Simon Lévy, een Franse kunstenaar uit Straatsburg die naar Antwerpen was gekomen om de oude meesters te bestuderen, liet Wouters kennismaken met Cézanne. Lévy sprak uitvoerig met hem over Cézanne en leende hem boeken met zwart-witfoto’s — zo leerde Wouters, via verhalen en reproducties, een oeuvre kennen dat hij pas eind april 1912, tijdens een verblijf in Parijs, met eigen ogen zou zien.
De band tussen beide mannen bleef bestaan dankzij een geregelde briefwisseling, grotendeels in het Frans — een keuze die verrassend lijkt voor deze Vlaamse kunstenaar, maar die toont hoeveel belang hij hechtte aan deze uitwisselingen met Lévy, die in Parijs woonde. Deze brieven zijn vandaag een essentiële bron om Wouters’ diepste ambities te begrijpen.
In deze jaren bleef Wouters zijn beeldhouwwerken tentoonstellen, die steeds goed onthaald werden door de critici, voordat hij voor het eerst zijn schilderijen toonde: dat gebeurde in de lente van 1911 op het salon van La Libre Esthétique, waar hij een portret van Nel naast zijn beeldhouwwerken voorstelde. Hij werkte toen al enkele jaren aan het werk van zijn leven, het grote beeld De dwaze maagd (La Vierge Folle), voltooid en in brons gegoten in januari 1912.
De voorstelling ervan, in maart van datzelfde jaar, op de openingstentoonstelling van de Galerie Georges Giroux, maakte grote indruk. Het succes volgde zowel voor zijn beeldhouwwerken als voor zijn schilderijen — waaronder De paddenstoelen en Portret van Nel — zodat Giroux hem een contract aanbood, een primeur tussen een kunstenaar en een Belgische galerie. Het belangrijkste aan dit contract was dat Wouters toegang kreeg tot een leverancier van materiaal. Het aantal schilderijen nam vanaf dan explosief toe, met een hoogtepunt in 1913: in enkele jaren had Wouters de kunst van zijn twee meesters, Ensor en Cézanne, volledig verwerkt.
Giroux leende hem zijn appartement in Parijs, en de ontdekking van het werk van Cézanne en Renoir overtuigde hem dat hij op de goede weg was. De meesterwerken stapelden zich op: Verjaardagsbloemen, Hommage aan Cézanne, Weerspiegelingen, De opvoeding, De rode gordijnen…
In 1914 betrok hij een huis met een echt atelier met uitzicht op de vijver van Bosvoorde. Daar ontstond een laatste reeks meesterwerken, waarin Cézanne volledig is opgegaan in een geheel eigen beeldtaal: De fluitspeler, Vrouw voor de spiegel, Open venster te Bosvoorde, De metselaars…
Zijn eerste solotentoonstelling, in februari 1914 in de galerie van Giroux, was een triomf — maar een kortstondige vreugde, want al in augustus 1914 volgde zijn mobilisatie. Wouters had nog veel te zeggen; wellicht zou hij een meer expressionistische weg zijn ingeslagen. We zullen het nooit weten.
Geïnterneerd in Nederland en later gevestigd in Amsterdam, waar vrienden van het Rijksmuseum hem onderdak en materiële steun boden, beleefde Wouters, ondanks ziekte en ballingschap, een laatste bekroning van zijn erkenning: in de herfst van 1915 toonde het prentenkabinet van het Rijksmuseum een reeks van zijn werken op papier — zijn allereerste museumtentoonstelling.
Enkele maanden later, begin 1916, wijdde het Stedelijk Museum hem een grote retrospectieve met schilderijen, beeldhouwwerken en tekeningen. Wouters, toen al sterk verzwakt, bezocht de tentoonstelling enkele dagen voor zijn opname in het ziekenhuis op 5 april 1916 — een zo intense emotie dat hij met de taxi naar huis moest. Hij overleed in Amsterdam op 11 juli 1916.